TAKtaktaktaktaktaktaktaktaktaktak

TAKtaktaktaktaktaktaktaktaktaktak. Ik lig op bed met zeurende koppijn, buiten is één of andere machine bezig.

TAKtaktaktaktaktaktaktaktaktaktak. De machine maakt een opvallend geluid. Het zijn net de wieken van een helikopter, waarbij de eerste slag wordt benadrukt.

TAKtaktaktaktaktaktaktaktaktaktak. Ik vraag de zeurende pijn om in de helikopter te stappen en weg te vliegen. De pijn is koppig, bepaalt zelf wel wanneer hij weggaat.

TAKtaktaktaktaktaktaktaktaktaktak. Ik duw hem erin, smijt de helikopterdeur dicht en geef het teken aan de piloot om te vertrekken. Ik bepaal wel wie in mijn lijf blijft.

Vleesfestival (een Donkerdorp-verhaal)

Ieder jaar wordt in Donkerdorp het Vleesfestival gehouden. Alle jongens van achttien gaan dan het omringende bos in om dieren af te schieten. Het is traditie. Jongens worden mannen.

Op dit moment heeft Samuel een hert in zijn vizier. Het enige wat hij moet doen is de trekker overhalen. Vanuit de verte hoort hij geknal van andere jongens.

Het hert staart Samuel aan. Alsof hij hem uitdaagt. Toe dan. Schiet dan. Durf je soms niet? Ben je bang? Wil je voor altijd een jongetje blijven? “Nee” fluistert Samuel. Zijn vinger krult zich om de trekker. Even knijpen. Pang. Dat is alles. Samuel sluit zijn ogen. Hij hoopt dat, als hij de trekker overhaalt, het hert dan al is gevlucht.

Hamsterbrood

De vrouw bij de snelkassa heeft haar tas vol broden gepropt. Geen wc-papier, mondkapjes of ingeblikt voedsel. Broden. Zou zij een grote koelkast hebben? Of broodtrommels? Moet zij ook haar partner en kinderen gevoed? Zijn die broden alleen voor haarzelf? Ik stel mij voor dat zij thuiskomt en manlief zich verbaast over de broden. “Schat, wij hebben niet eens voldoende beslag!”

Misschien moet ik, voor de zekerheid, een alternatief bedenken voor brood. Crackers schijnen ook goed te zijn. Ik hoop dat niemand op het idee komt om die te hamsteren.

De huilende wc (om drie uur ‘s nachts (al maakt het tijdstip niets uit))

De wc huilt. Het is uitgerekt gejammer dat als een sirene op en neer gaat. Ik heb mijn wc nog nooit horen huilen. Misschien dat er ergens een storing is. Maar wat voor storing kan dit geluid veroorzaken? Als dit een verhaal was, zou het gehuil ergens symbool voor staan. Of projecteert het personage zijn onderdrukte emoties op de wc.

Ik voel mij bijna bezwaard om te plassen. Maar ik kan het echt niet meer ophouden. “Kom op” mompel ik slaapdronken. “Zo erg is het allemaal ook niet, hè. Het komt echt wel goed.” Als ik heb doorgetrokken doe ik het licht uit en ga terug naar bed.

Deur

De kachelmonteur moet even iets uit zijn auto halen. Voor de zekerheid kijkt hij nog naar mijn huisnummer en dan is hij weg. Hij laat de deur halfopen staan, vanuit de gang schijnt het licht door de deuropening naar binnen.

Ik wil de deur helemaal dichtdoen. Maar dan kan de kachelmonteur mijn studio misschien niet meer vinden. Toen hij binnenkwam deed hij al zo warrig over mijn huisnummer. Straks doe ik de deur dicht en raakt hij helemaal verdwaald. Moet hij overal aanbellen tot hij de juiste studio weer heeft gevonden. Ik doe de deur dan maar op een heel smal kiertje. Net genoeg voor het kleinste beetje licht om naar binnen te schijnen. De kachelmonteur heeft zijn spullen op de grond laten liggen. Iedereen die langsloopt kan, in principe, snel iets weg grissen.

Ach, ik kan mij er wel druk over maken, het is allemaal toch echt zijn verantwoordelijkheid. Ik ga in mijn fauteuil zitten en wacht tot hij terugkomt.

Ductape

Ik heb ductape op mijn mond geplakt. Het zag er eerst best gek uit, die brede donkere streep over mijn lippen. Hoe langer ik ernaar keek in de spiegel, hoe meer ik moest grijnzen. Ik zie dat natuurlijk niet op mijn mond. Maar mijn ogen grijnsden wel terug.

Jurjen vindt die ductape kinderachtig. Al is het wel zijn schuld dat ik het heb opgeplakt. Hij moest zonodig tegen mij uitvallen. Dat ik nooit mijn bek hou, eens moet leren om te luisteren. Goh. Meneer vindt dat ik mijn bek moet houden? Prima.

Hij zei sorry toen hij de ductape zag. Maar ik ga die brede plakstrook echt niet af doen. Daarom besloot hij ook zijn bek te houden. Alleen heeft hij zijn mond niet afgeplakt, dus hij houdt het niet lang vol. Of ik “alsjeblieft” even “gewoon” kan doen. Hij heeft toch sorry gezegd? Ik hoor iets smekends in zijn stem. Mijn mond blijft voorlopig dichtgeplakt.

Gatenbroek

Lola draagt een gatenbroek. Ik heb geen idee of het meisje echt Lola heet en of “gatenbroek” wel de juiste naam is voor deze broek. Op haar shirt staat in rode letters de naam “Lola”, dus zo noem ik haar. En die broek, nou ja, er zitten gaten in. Hoe moet ik het anders noemen?

Als Lola een romanpersonage was, zou die gatenbroek het perfecte symbool vormen voor haar ongepaste, ruige karakter. Zij verzet zich tegen alles en iedereen, plaatst overal vraagtekens (en uitroeptekens) achter, en vraagt net zolang “waarom” totdat zij een bevredigend antwoord krijgt. Ik zie Lola voor mij met kort, felrood haar, zonder make-up en een permanente, verbeten glimlach op haar mond.

De titel van de vijfhonderd pagina’s tellende roman: “Lola en haar gatenbroek”. Ik voorspel een gegarandeerde bestseller.

Voetbalkind

In mijn stamkroeg zit een jongetje naar de voetbalwedstrijd te kijken. Ik heb voetbal altijd gezien als de sport van de alfamannetjes, de korpsballen die met een biertje bij elkaar zitten en voor de tv hun favoriete ploeg aanmoedigen.

Dit jongetje ziet er niet uit als een alfamannetje. Of toekomstige korpsbal. Hij is eerder de leerling die helemaal achterin de klas zit, in zijn schriftje kriebelt terwijl de juf of meester de lesstof uitlegt. Hij heeft sterk krullend, donker haar en zit op het puntje van de barstoel. Helemaal opgeslorpt in zijn eigen wereld. Net zoals ik dat kan.

Zijn ouders zitten waarschijnlijk buiten. Hun zoontje mag dan hier naar de voetbalwedstrijd kijken. Ik heb nog niemand binnen zien komen om aan hem te vragen hoe de wedstrijd is. Of hij nog wat wil hebben. Ik denk niet dat hij iets wil hebben. De wedstrijd is genoeg. Wat er op het veld gebeurt kan mij nog steeds weinig schelen, ik hoop wel voor hem dat zijn ploeg goed gaat scoren.

IJsmuts

Er ligt een ijsmuts op straat. Ik loop dagelijks deze route en gister lag deze ijsmuts hier nog niet. Waarom zou iemand vandaag een ijsmuts dragen? Het is minstens twintig graden. Ik probeer het mij voor te stellen, dat ik besloten heb vandaag een ijsmuts op te zetten. Waarom? Het weer kan omslaan. Ik ben een lekker gek mens. Of wil zo mijn authenticiteit uitdragen.

Hoe ver heeft de drager van deze ijsmuts gelopen tot hij of zij dacht “nou, dat wordt hem dus niet.”? De dichtstbijzijnde huizen zijn een paar honderd meter hier vandaan. Niet echt een lange wandeling. Of is het misschien van een fietser geweest? Dat de ijsmuts door een stevige rukwind is weggeblazen?

Ik kan een foto maken en op Facebook zetten, vragen wie deze ijsmuts mist. Ik denk niet dat daar veel reacties op gaan komen. Hooguit de vraag wie met dit weer een ijsmuts opzet.

Het allerlaatste taartenrecept

Taartenmaker Ipe heeft alle bestaande taarten al gebakken, voor hij met pensioen gaat wil hij nog één taartenrecept uitproberen. In een droom zag hij, ergens op een verre planeet hier ver vandaan, het allerlaatste taartenrecept.

Daarom bouwt taartenmaker Ipe in zijn achtertuin een raket, die hem naar die verre planeet moet brengen. Hij hamert, knutselt en last, werkt dag en door. De onophoudelijke bouwgeluiden houden zijn buren wakker, maar ach, straks is taartenmaker Ipe er toch vandoor.

Op een warme, wolkeloze dag is de raket klaar. Taartenmaker Ipe telt af van tien naar nul, geeft gas, en daar gaat hij, de lucht in, een witte rookstaart achterlatend. Hij kan niet wachten tot hij er is, op zijn verre planeet. Dan heeft hij eindelijk het allerlaatste taartenrecept.

Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag